{"id":1607,"date":"2004-04-27T19:59:59","date_gmt":"2004-04-27T17:59:59","guid":{"rendered":"http:\/\/www.unionbelge.be\/?p=1607"},"modified":"2010-09-12T20:25:11","modified_gmt":"2010-09-12T18:25:11","slug":"percepties-van-de-belgische-kolonisatie-kongo","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/?p=1607","title":{"rendered":"Percepties van de Belgische kolonisatie in Kongo-Perceptions de la colonisation belge au Congo"},"content":{"rendered":"<p><strong>Deze bijdrage is gericht op Kongo, een land dat effectief een Belgische kolonie werd in 1908, terwijl Rwanda-Urundi mandaatgebieden waren van de Volkenbond, en later van de Verenigde Naties.<\/strong><\/p>\n<p><span style=\"text-decoration: underline;\">SYNTHESE<\/span><\/p>\n<p>In de Angelsaksische wereld bestaat een bijzonder negatieve perceptie van de Belgische kolonisatie, die teruggaat naar de humanitaire campagne tegen Leopold II en recent heropgegraven werd met de bestseller van Adam Hochshild (&#8220;King Leopold&#8217;s Ghost in Afrika&#8221;). Deze perceptie zou nog in omvang kunnen toenemen met aangekondigde reportages en verfilmingen. Indien misbruiken werden gepleegd tijdens de periode van de Kongo Vrijstaat (KVS) duiden feitelijke gegevens echter op de onmogelijkheid van een genocide laat staan van moordpartijen op grote schaal, al was het maar omdat het bestuur van deze Staat te beperkt was om een land zo groot als 80 maal Belgi\u00eb te controleren. Met de overdracht van Kongo aan Belgi\u00eb (1908) zal een einde gesteld worden aan het exploitatiesysteem van de KVS. Vanaf dan en tot aan de onafhankelijkheid heeft Belgi\u00eb onbetwistbaar bijgedragen tot de economische en sociale ontwikkeling van Kongo, met een BBP per capita die veruit deze van andere Afrikaanse landen oversteeg. Het paternalisme dat de Belgische kolonisatie kenmerkte kan achteraf worden afgedaan, maar dient tevens in de tijdsgeest van toen beschouwd te worden, en heeft anderzijds bijgedragen tot de bevordering van het welzijn van de Congolezen : massale alfabetisering gevolgd door de invoering van een kwaliteitsvol onderwijssysteem in volle expansie, een veralgemeende zorgverstrekking met de strijd tegen inheemse ziekten, de ontwikkeling van stedelijke en landelijke centra met toegang tot kredietverlening en eigendom. Maar de druk voor een onmiddellijke onafhankelijkheid in 1960 heeft een &#8220;zachte&#8221; machtsoverdracht niet mogelijk gemaakt. Vandaag is Belgi\u00eb het enige land dat post &#8211; koloniale vergissingen heeft toegegeven en heeft het zich resoluut ingezet ten gunste van de heropbouw van een verenigd en vreedzaam Kongo.<\/p>\n<p>HISTORISCHE FEITEN<\/p>\n<p>De Kongo Vrijstaat (KVS)<\/p>\n<p>Op 23 februari 1885, naar aanleiding van de Conferentie van Berlijn, erkennen de deelnemende Staten, waaronder Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Portugal, Duitsland en de Verenigde Staten de KVS als persoonlijk eigendom van Leopold II, Koning der Belgen.<\/p>\n<p>De leden van het bestuur dat in Kongo werd ingevoerd door de KVS waren Europeanen, voornamelijk Belgen, Italianen en Scandinavi\u00ebrs. De Europese bevolking in Kongo bedroeg in die tijd nooit meer dan 4000 personen.<\/p>\n<p>Dat misbruiken werden gepleegd tijdens de KVS is onbetwistbaar. Tussen 1885 en 1890 heeft de KVS een intensieve commerci\u00eble exploitatie aangevangen, eerst van ivoor en later van wildgroeiende rubber. Onder de avonturiers die naar Kongo reisden waren er met weinig scrupules. De administratieve agenten waren onderworpen aan een uitslagverbintenis, met zware lasten voor de opgevorderde bevolking als gevolg.<\/p>\n<p>Daarentegen is het misleidend, zoals de pers het soms beweert, te spreken van een &#8220;genocide&#8221;. Volgens de Conventie voor de preventie en de repressie van de misdaad van genocide is dit begrip toepasselijk op handelingen begaan met het oogmerk om een nationale, etnische, raciale of religieuze groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Er zou dus een weloverwogen wil moeten bestaan om een bevolking uit te roeien. Deze wil was kennelijk afwezig &#8211; er was nooit de intentie om de Kongolese bevolking of een bepaalde nationale, ethnische, raciale of religieuze geleding ervan te vernietigen. Integendeel was de KVS op zoek naar mankracht, en had er allerminst belang bij om de inheemse bevoling uit te roeien. Blijft de vraag naar criminele handelingen die aan de KVS administratie toegewezen zouden kunnen worden. In deze kontekst is het eveneens ronduit misplaatst te beweren dat miljoenen slachtoffers zouden zijn gevallen of dat de helft van de Kongolese bevolking uitgeroeid zou zijn. Diverse bronnen zijn aan de oorsprong van deze fabelachtige cijfers.<\/p>\n<p>Vooreerst is er Edmund Morel, Britse journalist en voorganger van de huidige internationale beweging ter verdediging van de Rechten van de Mens, die zich beriep op een vergelijking tussen bevolkingscijfers uitgegeven door de KVS en door Belgisch Kongo. Hij citeert in 1912 het cijfer van 7.248.000 inwoners (cijfer afkomstig van het Belgisch koloniaal bestuur) en vergelijkt met voordien aangevoerde cijfers die nooit minder waren dan 15, 20 of zelfs 30 miljoen inwoners (artikel uit de Westminster Gazette van 1 juli 1912). Dit cijfer is verbazend in vergelijking met de volkstelling van 1924 die gewag maakte van 10 miljoen inwoners. Hoe zou een uitgebluste bevolking van 7 tot 10 miljoen zielen kunnen overgaan in een periode van amper een decennium ? In werkelijkheid bestonden er in die tijd geen betrouwbare gegevens over de samenstelling van de Kongolese bevolking. De eerste echt betrouwbare volkstelling dateert van na de Tweede Wereldoorlog. In de 19de eeuw waren er waarschijnlijk heel wat minder dan 10 miljoen inwoners in Kongo. Ter vergelijking werd in het naburige Zuid-Rhodesi\u00eb (ex-Zimbabwe) amper een half miljoen inwoners geteld tijdens dezelfde periode.<\/p>\n<p>Vervolgens heeft de Amerikaanse successchrijver Adam Hochshild, auteur van het recente boek &#8220;Leopold&#8217;s Ghost in Afrika&#8221; (die letterlijk een compilatie van archieven van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken door voormalig Belgisch diplomaat Jules Marchal &#8220;E.D.Morel contre L\u00e9opold II&#8221; heeft overgeschreven &#8211; zie de site http:\/\/www.cobelco.org) een extrapolatie geprobeerd vanuit gekende bevolkingscijfers van enkele dorpen waar wilde rubber werd ontgonnen, en waarvan de mannelijke bevolking rond 1907-1908 (datum van de overdracht aan Belgi\u00eb) de helft bedroeg van de vrouwelijke bevolking (om redenen van migratie, ziekte, vlucht of overlijden). Een extrapolatie van zulke cijfers in het rubberwingebied naar de gehele bevolking van Kongo is echter allerminst betrouwbaar. De KVS de ontwikkeling van de slaapziekte toeschrijven (die te wijten zou zijn aan de algemene verzwakking van de bevolking) is misplaatst daar waar de Koning de eerste programma&#8217;s voor de uitroeiing van deze ziekte heeft ingevoerd.<\/p>\n<p>De stelling van een genocide of van een uitroeiing van de bevolking op grote schaal wordt nog tegengesproken door volgende feiten, die getuigen van de beperkte greep van de KVS administratie op Kongo :<\/p>\n<p>&#8211; De buitenlandse bevolking bedroeg in die periode niet meer dan 4000 personen. In het begin van de jaren 1890 waren de administratieve agenten belast met de rubberwinning niet meer dan 175 in aantal. &#8211; De administratieve posten waren enkel gelegen langs voor stoomboten bevaarbare rivieren. Deze stoomboten werden in Leopoldstad (Kinshasa) samengesteld met onderdelen die vanuit Matadi werden aangevoerd. Expedities vertrokken vanuit deze posten landinwaarts over een afstand van 30 \u00e0 maximum 50 km om nadien naar hun startbasis terug te keren. Een aanzienlijk deel van Kongo was nog onaangeroerd bij de overdracht aan Belgi\u00eb in 1908. &#8211; De ontginning van wilde rubber, waarvoor het bestuur van de KVS ruimschoots werd bekritiseerd, kon enkel plaatshebben in het tropische regenwoud van de Kongo bekkens, dus enkel in een bepaald deel van het land.<\/p>\n<p>De humanitaire campagne van Morel kon in die tijd, net zoals op de dag van vandaag, gevoerd worden tegen de vorst van een klein land, maar niet tegen een grootmacht. Op hetzelfde ogenblik verjoegen Engelse kolonisten de inheemse bevolking van de beste gronden van Rhodesi\u00eb, zonder enige perscampagne van gelijke omvang te veroorzaken.<\/p>\n<p>Onder internationale druk als gevolg van lastercampagnes alsook onder druk van de publieke opinie in Belgi\u00eb werd een Onderzoekscommissie door de Koning ingesteld in 1904. Het verslag van haar onderzoek werd in 1905 in het Staatsblad van de KVS (Bulletin offici\u00ebl, Nrs 9-10, sept.-oct.905).<\/p>\n<p>Deze Commissie, samengesteld uit integere figuren van uiteenlopende nationaliteit (Edmond Janssens, Giacomo Nisco en E.de Schumacher), met een verregaande toegang tot diverse documenten en getuigenissen over het hele grondgbied van Kongo, verrichte een bijzonder merkwaardige studie van de kwalen van het KVS bestuur en hun oorzaken, in het uitsluitend belang van de inheemse bevolkingsgroepen. Bij wijze van inleiding onderstreept de Commissie de veiligheid die over het geheel van de KVS heerst, het einde van de slavernij en het cannibalisme, de stedelijke ontwikkeling van Matadi en Leopoldstad, de buurtspoorwegen van Mayumbe, de &#8220;watervalspoorweg&#8221; (die het hoger en het lager gelegen gedeelte van de Congostroom aan elkaar verbond), de &#8220;Grote Merenspoorweg&#8221;, de 80 stoomschepen, een telegrafische lijn van 1200 km, hospitalen in provinciehoofdplaatsen, een effici\u00ebnte administratie ondanks het beperkt aantal ambtenaren, een gerechtelijk apparaat dat aanzien geniet bij de inheemse bevolking daar waar het reeds gevestigd is, de bedrijvigheid van de missieposten.<\/p>\n<p>Als eerste kritiek geldt de restrictieve interpretatie die gegeven wordt aan het begrip &#8220;onbezet land&#8221; daar waar administratieve voorposten van de KVS gevestigd zijn. Aangezien de inboorlingen het land rond hun dorpen niet bebouwden werd door agenten al te gemakkelijk overgegaan tot de overname ervan ten behoeve van de KVS, daarmee de verplaatsing belemmerend van de dorpen en van hun inwoners. Ook al werden deze in de feiten toegestaan om van bepaalde vruchten van het aldus omschreven &#8220;openbaar domein&#8221; te genieten, dan nog was dit slechts een herroepbare tolerantie. De Commissie stelde dan ook voor om de bij dorpen nabijgelegen zones over te dragen aan de vrije beschikking van de dorpelingen.<\/p>\n<p>Inzake vrijheid van handel stelt de Commissie vast dat deze, vooraleer de KVS tot stand kwam, vooral bestond uit de verhandeling van ivoor en slaven. Aan deze twee activiteiten werd door de KVS een einde gesteld, en er bleef dus geen inheemse nijverheid meer over om aan een betekenisvolle handel gestalte te geven. De Commissie pleit voor de invoering van geld als pasmunt, tot dan slechts in voege in de lagere Kongobekkens, vanaf dan ook in het hogere deel van de Kongostroom en zijn zijrivieren, ter vervanging van de ruilhandel die de inboorlingen benadeelde<\/p>\n<p>De Commissie erkent de noodzaak van een karwei ter vervanging van een financi\u00eble belasting (waarvoor de inboorlingen onvermogend waren) teneinde de ontwikkeling van de KVS mogelijk te maken (met verwijzing naar soortgelijke karweien in Europa zoals de legerdienst of werken van openbaar nut waarvoor dorpelingen bij ons werden opgevorderd). Ze stelt echter vast dat deze last aanvankelijk op erg veranderlijke wijze werd toegepast (van 2 tot 9 kg rubber per werkman, al naar gelang het district). De vergoedingen waren niet billijk. Slechts een maximumloon werd door de KVS opgelegd. Een decreet van 1903 poogt althans op papier misbruiken bij te sturen door de werktijd te beperken tot een periode van 40 uren per maand, een minimumloon op te leggen en de opbrengst aan te passen aan de omgeving (bebossingsgraad, afstand van het dorp). De toepassing van dit decreet neigde echter tot het behoud of zelfs de toename van de bestaande productie, die reeds heel zwaar uitviel voor de getroffen bevolking, welke ook de vereiste inspanning was. Indien de KVS tot doel had meer bevolkingsgroepen aan deze belasting te onderwerpen, waren vooral deze dorpen gelegen in de nabijheid van administratieve posten door de maatregel getroffen. Zij dienden het meest gevolg te geven aan opdrachten voor werken en ravitaillering van onder meer de inheemse openbare weermacht (force publique), wat bijzonder zwaar uitviel in agglomeraties zoals deze rond Leopoldstad, en een aanzienlijke ontvolking veroorzaakte als gevolg van de vlucht van dorpelingen naar meer afgelegen gebieden. De Commissie pleitte bijgevolg voor de ontwikkeling van moderne voedselteelten in de nabijheid van stedelijke gebieden in de KVS. Zo ook deed de houtkarwei langs bevaarbare rivieren voor de brandstof van stoomschepen de nabijgelegen inboorlingengroepen, reeds uitgedund als gevolg van de voor hen lucratieve slavenhandel, verder wegvluchten. Hetzelfde gold voor de dragerskarwei wanneer bevaarbare rivieren ontbraken.<\/p>\n<p>De Commissie veroordeelt ook scherp de dwangmaatregelen om de inboorlingen te verplichten hun taken te volbrengen, waaronder de gijzeling van stamhoofden of vrouwen. Indien gijzelaars niet mishandeld werden in administratieve posten golden mishandelingen wel in gebieden die aan de administratieve controle ontsnapten, zoals tijdens militaire expedities van louter inheemse weermachteenheden. Deze laatste waren meestal uit een ander gebied afkomstig en vertoonden dienvolgens weinig meewarigheid met de lokale inboorlingen.<\/p>\n<p>Hetzelfde gold in concessiegebieden van commerci\u00eble bedrijven. De delegatie van het karweirecht aan deze laatste, die enkel op winst uit waren, is het voorwerp van zware kritiek van de Commissie. De zwaarste misbruiken werden in concessiegebieden gepleegd. De Commissie verzet zich dus niet niet tegen de vestiging van een collectieve karwei in functie van het bevolkingsaantal van een dorp, met dien verstande dat aan het traditioneel stamhoofd de toepassingmodaliteiten ervan worden toevertrouwd, en hem voor zover nodig de steun van de administratie wordt toegezegd.<\/p>\n<p>De Commissie veroordeelt het bovenmatig gebruik van militaire expedities, inzonderheid voor de inning van &#8220;belastingen&#8221; (karweien) of ter bestraffing van een misdrijf. In het bijzonder wordt de zending van inheemse patrouilles zonder Europese begeleiding aan de kaak gesteld, wegens het ontwaken van &#8220;bloeddorstige instincten&#8221; van aan zichzelf overgeleverde soldaten. Het is gedurende zulke expedities dat het merendeel van de aan de KVS toegeschreven misdaden werden begaan. Zulke wanbedrijven waren ook het feit van priv\u00e9bedrijven, ondanks de formele verbodsbepalingen van de KVS.<\/p>\n<p>Tenslotte veroordeelt de Commissie de bovenmatige adopties van ten onrechte als &#8220;verlaten&#8221; beschouwde kinderen door zowel de KVS als door sommige religieuze missieposten. De Commissie stelt vast dat deze kinderen in de Afrikaanse cultuur door hun uitgebreide familie opgenomen kunnen worden. Deze ontaarde kinderen vormden vaak later een potenti\u00eble mankracht voor de openbare weermacht. De Commissie onderschrijft echter de goede behandeling van kinderen die bij missies terecht kwamen. In plaats van deze kinderen aan hun natuurlijke omgeving te onttrekken pleit de Commissie voor de veralgemening over heel het grondgebied van verplicht onderwijs.<\/p>\n<p>De campagne van Morel werd eveneens gevoed door het verhaal van gehakte handen en voeten van inboorlingen door leden van de eveneens inheemse &#8220;openbare weermacht&#8221; (&#8220;force publique&#8221;). In werkelijkheid hadden de soldaten van de weermacht als instructie het bewijs mee te brengen dat hun kogels op het slagveld (en niet voor de jacht) werden gebruikt. Te dien einde amputeerden zij de lichamen van hun overleden tegenstrevers. Deze weerzinwekkende praktijk mag niet verward worden met de toepassing van de Charia in de Swahili invloedsfeer, voordien onder de controle van slavenhandelaars. Zoals de Onderzoekscommissie vaststelt was verminking in geen geval een bewust overwogen beleid van de KVS. Het afhakken van ledematen van overleden vijanden was eigen aan lokale gewoonten, als een trofee van slagvelden in bepaalde gebieden. Soms werden levende personen voor dood achtergelaten en verminkt, hun armband gestolen. Nooit werd deze praktijk door een Europeaan gelast, laat staan getolereerd. Dit verontschuldigt vanzelfsprekend niet het verwerpelijk systeem dat zulke uitspattingen mogelijk maakte, noch het schokkend schouwspel van geamputeerde lichamen.<\/p>\n<p>Men dient toe te geven dat het exploitatiepatroon van de KVS geleid heeft tot misbruiken van aard om reacties teweeg te brengen zoals de humanitaire campagne van Edmund Morel in het Verenigd Koninkrijk. Deze misbruiken zijn onverschoonbaar, maar kunnen verklaard worden door het feit dat Koning Leopold II heel zijn fortuin in het koloniale avontuur gestort heeft. De Belgische Regering en het Belgisch Parlement, waarschijnlijk nog onder de indruk van de recente onafhankelijkheid van Belgi\u00eb, zelf bevrijd van het juk van vreemde naties, weigerden om hem hierin te volgen. De koloniale onderneming vergde aanzienlijke fondsen zodat de Koning weldra in staat van virtueel faillissement verkeerde, met schulden bij verscheidene Europese banken uit die tijd en bij de Regering. Men kan dus begrijpen dat hij aan zijn administratie opdracht gaf te renderen, zonder teveel toe te kijken op de gevolgen hiervan voor de menselijke waardigheid van zijn onderhorigen. De Koning heeft zich nooit zelf naar Kongo begeven. In een periode waar de eerste motorvoertuigen hun ingang vonden zou de wilde rubberontginning bijzonder winstgevend blijken voor de nieuwe Kongo Vrijstaat.<\/p>\n<p>Stellingen die deze misbruiken gelijkstellen met een &#8220;genocide&#8221; of een massamoord kunnen echter niet onderschreven worden. De &#8220;bewijzen&#8221; die aangevoerd worden om zulke stellingen te schragen kunnen een grondige analyse niet weerstaan en worden nog tegengesproken door het behoud van de stamhoofden en traditionele structuren onder het Belgisch koloniaal bewind. De scheeftrekkingen van de anti-Leopold campagne in het Verenigd Koninkrijk mag men tevens niet vergeten. Het overdadig gebruik van sommige beelden (zoals die van verminkte personen) had ogenschijnlijk tot doel de opinie te shocken eerder dan over werkelijke misbruiken te informeren.<\/p>\n<p>Belgisch koloniaal bewind (1908-1960)<\/p>\n<p>Op 18 oktober 1908 wordt Kongo afgestaan aan de Belgische Staat.en de Wet op de Regering van Belgisch Kongo wordt uitgevaardigd. Deze overdracht, onder druk van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk (3 gezamenlijke demarches werden door hun legaties te Brussel ondernomen), was het voorwerp van harde onderhandelingen.<\/p>\n<p>In die tijd was Kongo nog voor een groot deel &#8220;terra incognita&#8221;. Er kwam een einde aan de misbruiken van de KVS, en dit werd erkend door de protestantse missionarissen (aan de oorsprong van de campagne van Morel) en door de ter plaatse reizende Britse Consuls. Kongo werd op paternalistische wijze ontwikkeld en ontgonnen. De ingeweken Belgische bevolking zal voor de Tweede Wereldoorlog de 15.000 (op een totaal van 25.000 Europeanen) niet overstijgen, en zal nadien onder de grens van 100.000 inwijkelingen (op 112.000 Europeanen) blijven.<\/p>\n<p>Binnen een tijdsbestek van drie jaar volgend op de overdracht van de Kongo werd door de Belgische Regering een einde gesteld aan het systeem van exploitatie van de KVS.<\/p>\n<p>Op economisch vlak wordt de Belgische kolonisatie gekenmerkt door de opkomst van grote mijnconcerns met Belgisch, Amerikaans en Brits kapitaal (Formini\u00e8re voor de diamant van Kasai, Union Mini\u00e8re waarvan de zetel eerst in Salisbury, Rhodesi\u00eb, gevestigd was, voor de koper uit Katanga). Investeringen overstegen met 140% deze van beide Rhodesi\u00ebs, en met 200% deze van Frans equatoriaal Afrika. Landbouw, die in het begin van de 20ste eeuw de mijnproductie nog met 20% oversteeg, was toen hoofdzakelijk in inheemse handen. Lever Brothers verwierf nadien belangrijke concessies voor de productie van palmolie. De Generale Maatschappij had, buiten belangen in mijnconcerns, tevens de productie van katoen aangevangen (Cotonco, die in 1925 80% van de Kongolese katoenproductie vertegenwoordigde).<\/p>\n<p>Indien grote bedrijven zich ontegensprekelijk hebben verrijkt met Kongolese natuurlijke rijkdommen hebben ze tevens gezorgd voor hygi\u00ebnische normen en voedselzekerheid die onbestaande waren in het naburige Rhodesische Copperbelt. Wel dient er toegegeven te worden dat tot in de jaren 1920 vaak onder dwang beroep werd gedaan op lokale werkkrachten, zoals dat wellicht ook elders gebeurde. De vermenigvuldiging van een verscheidenheid aan productiegroeipolen over het geheel van het Congolese grondgebied heeft aanzienlijk bijgedragen tot een ontwikkeling die het binnenland als de steden betrof.<\/p>\n<p>Vanaf de jaren 1920 wordt werk gemaakt van een lokaal tewerkstellingsbeleid. Indien misbruiken nog worden vastgesteld in hoofde van sommige bedrijven zou het onjuist zijn om er een systematisch karakter aan toe te schrijven. Het officieel beleid neigt er, weliswaar onvolmaakt, toe zulke misbruiken te vervolgen. Rond dezelfde periode verandert het fiscaal beleid van de kolonie : gewone inkomsten bestaan nog slechts voor 1\/5de uit inheemse belastingen in plaats van nagenoeg de helft voor 1920.<\/p>\n<p>Het beeld uit de KVS van Europeanen die bij wijze van bevriende Afrikaanse tussenpersonen de kolonie besturen wordt tussen de twee Wereldoorlogen geleidelijk vervangen door een systeem van indirecte administratie, opgelegde teelten en de groeiende (en door de economische crisis van jaren 1930 nog aangescherpte) macht van grote bedrijven ten overstaan van de kleinhandel en de gewone kolonialen. Dit economisch systeem zal aan de oorsprong staan van een nieuw proletariaat.<\/p>\n<p>Terzelfdertijd als de ontwikkeling van commerci\u00eble bedrijven in het binnenland ontwikkelen religieuze missies een aanwezigheid die leidt tot een veralgemening van het onderwijs (alfabetisering), de gezondheidszorg en een verbetering van de landbouwtechnieken. Het onderwijs, op paternalistische leest geschoeid, is niet gericht op de vorming van een elite, maar &#8220;ervoor te zorgen dat de scholen aan het inheemse milieu zijn aangepast en op de inheemse mentaliteit gestoeld, dat ze een essentieel technisch karakter hebben&#8221; (Minister Franck in 1920, voor wie de inboorling zijn handen diende te leren gebruiken om een verdienstelijke en tevreden werkman te zijn). In de jaren 1930 ondernemen de grote bedrijven echter de vorming van geschoolde werknemers. Tijdens deze periode zal ook het aantal door missies opgeleide verplegers en opvoeders aanzienlijk toenemen.<\/p>\n<p>Men kan de invloed van Belgi\u00eb als tweede missieland na Frankrijk in de Wereld niet negeren (62% van de 5000 Belgische missionarissen bevinden zich in Kongo in 1940). Nagenoeg 20% van de Belgische bevolking in Kongo bestaat alsdan uit missionarissen. Deze evolueren van een paternalistische vorming van inboorlingen naar een grotere opwaardering van een lokale clerus. Hun bijdrage in de vorm van onderwijs en medische zorgen is aanzienlijk geweest.<\/p>\n<p>Na de Tweede Wereldoorlog zullen de wijzigingen binnen de Belgische politiek de opkomst van politieke elites in de Kongolese steden bevorderen, welke binnen een kleine Kongolese burgerij (klerken, bedienden, verplegers) aangeworven zullen worden, en het speerpunt van de onafhankelijkheidsbeweging zullen vormen in 1959-1960. Het onderwijssysteem van het Belgisch koloniaal bewind heeft de elementaire opleiding van de grootste gemene deler bevoorrecht in een historisch perspectief. Zo zal Belgisch Kongo de hoogste alfabetiseringsgraad van heel Afrika bereiken. Heel de infrastructuur was aanwezig, tot op het niveau van de universiteiten (Lovanium werd in 1954 gesticht), om te evolueren naar een sluitend onderwijssysteem op het niveau van de Congolese natie.<\/p>\n<p>Op medisch vlak richtte de koloniale overheid een netwerk van medische centra en ziekenhuizen in van een in Afrika onge\u00ebvenaarde kwaliteit en dichtheid, die voor de Congolese bevolking toegankelijk was. De geneeskunde was er zodanig ontwikkeld dat zelfs Zuidafrikanen zich naar Elisabethstad verplaatsten voor delicate behandelingen. Een vaccinatiecampagne tegen polio in Congo rond 1960 geeft thans aanleiding tot een controverse in Britse kringen (journalist Hooper) wegens mogelijke oorzaak aan de verspreiding van Aids. Echter werden toen zowel Afrikanen als Europeanen gevaccineerd, zonder dat deze laatste groep ooit enig symptoom van Aids te kennen gaf.<\/p>\n<p>Op het vlak van de communicatie en de verstedelijking bevoorrechte het koloniaal bewind in alle omstandigheden de kwaliteit en de gelijke behandeling met de technieken en ontwikkelingsgraad die in de metropool van toepassing waren. Zo werden de voornaamste steden vanaf de jaren 50 met een afsluitende riolering uitgerust, net zoals de Belgische steden. Het spoorwegnet werd begin van de jaren 50 zoals in Belgi\u00eb geleidelijk ge\u00eblectrificeerd. Deze werkwijze werd ook toegepast op het telegrafisch en telefonisch communicatienetwerk, en voor de progressieve en gesofistikeerde stedelijke centra in volle ontwikkeling.<\/p>\n<p>Kongo heeft onbetwistbaar aan Belgi\u00eb opgebracht, net zoals de ontwikkelingsinspanningen van de koloniale overheid bij de bevolking een elders in Afrika onge\u00ebvenaarde intensiteit en uitstraling heeft gekend in een bijzonder korte tijdspanne. Bovendien zijn de -onder meer in Katanga- voortgebrachte rijkdommen slechts de vrucht van de bedrevenheid die de Belgen aan de dag hebben gelegd tijdens de kolonisatie. Indien Kongo overigens meestal financieel onafhankelijk is geweest van de metropool, met uitzondering van de economische crisisjaren volgend op 1930, waar Belgi\u00eb het verlies aan inkomsten uit de export heeft moeten compenseren, dient te worden gewezen op het gebrek aan commerci\u00eble privileges van ons land in de kolonie bij toepassing van de acte van Berlijn van 1885. Als gevolg hiervan ging slechts 1 \u00e0 2 % van de Belgische export naar Congo tussen de twee Wereldoorlogen, en 4 \u00e0 6 % voor de onafhankelijkheid. De Congolese productie vertegenwoordigde eveneens slechts 1 % van onze invoer in 1925, 4 \u00e0 7 % in de jaren 30, en slechts 8 % voor de onafhankelijkheid. Voor de Congolese economie vertegenwoordigde Belgi\u00eb slechts een derde van de invoer en een kwart tot de helft van de uitvoer voor de onafhankelijkheid. In vergelijking hiermee was de productie van Franse en Britse kolonies onderworpen aan de richtlijnen van hun respectievelijke metropolen.<\/p>\n<p>Bij de onafhankelijkheid hebben de Belgen aan Kongo een onaangetaste bestuurlijke, economische, sociale, medische en educatieve infrastructuur overgelaten. In andere omstandigheden dan deze die tot de onafhankelijkheid hebben geleid was er een kader voor de opkomst van een welvarend land dat bij zijn onafhankelijkheid over het grootste BBP per capita van het hele Afrikaanse continent genoot (hoger zelfs dan Zuid Afrika \u2026 en zelfs Canada). Het was tevens de koloniale overheid die de verkiezingen heeft georganiseerd die de opkomst van nochtans vijandige nationalistische leiders heeft mogelijk gemaakt.<\/p>\n<p>Daarentegen was de toespraak van Lumumba op de plechtigheden voor de onafhankelijkheid het symptoom van een re\u00eble frustratie van de Congolese politieke elite ten overstaan van een gepercipieerd paternalisme, zoniet racisme bij een aantal kolonialen (die hun onderhorigen &#8220;tutoyeerden&#8221;, en in vroegere tijden de &#8220;chicotte&#8221;, een soort zweep, hanteerden). De creatie door de kolonisator van een caste van &#8220;ge\u00ebvolueerden&#8221; bij de Afrikanen was tevens een miskenning van de waardigheid van de Afrikaan en zijn cultuur.<\/p>\n<p>De onafhankelijkheid (30 juni 1960)<\/p>\n<p>Belgi\u00eb, onder druk van de naoorlogse dekolonisatiebeweging, was slecht voorbereid op de onafhankelijkheid van zijn voormalige kolonie. De toespraak van Generaal De Gaulle in Brazzaville in 1959 heeft ongetwijfeld zijn weerslag niet gemist op de opgehitste massa&#8217;s in Kinshasa en andere grote steden.<\/p>\n<p>Gelet op het paternalistisch systeem dat in voege was heeft de Belgische Regering tevergeefs een transitie van 5 jaren voorgesteld tijdens de Ronde Tafel van Brussel in 1959. De druk voor een onmiddellijke onafhankelijkheid kwam niet alleen van buiten uit maar ook vanuit het binnenland, met een bijzonder rumoerig parlement, zelfs in de schoot van de christelijk-liberale coalitie, de aanvallen van de socialistische oppositie niet meegerekend.<\/p>\n<p>De toespraak van Generaal De Gaulle in Brazzaville in 1959 (die opriep tot de onafhankelijkheid) heeft onmiskenbaar een aanzienlijke weerslag gehad op de ge\u00eblectriseerde massas in Kinshasa en andere grote steden.<\/p>\n<p>Van hun kant toonden de Kongolese nationalisten zich, onder leiding van een virulente Lumumba, bijzonder ontoegeeflijk met hun eis voor een onmiddellijke onafhankelijkheid.<\/p>\n<p>Het Belgische parlement heeft sindsdien officieel de &#8220;morele&#8221; verantwoordelijkheid van Belgi\u00eb erkend voor de moord op Lumumba, die ons land niet belet heeft. Dit zou echter het wispelturig karakter van deze icoon niet mogen verdoezelen, zoals het tot uiting komt in het boek &#8220;Congo Cables&#8221; (thans uitverkocht) van een Amerikaanse journaliste die onder het Carterbewind toegang kreeg tot de confidenti\u00eble telexen van het State department. Hij kon terzelfdertijd de Verenigde Staten vleien en het Amerikaans imperialisme beschimpen (in een periode waar Belgische diplomaten uit Kinshasa verbannen waren). Deze wispelturigheid werd eveneens tegenover de Sovjetunie of de Verenigde Naties aangehouden (zie de vetes met Dag Hammarskjold). Voor Congo&#8217;s binnenlandse politiek was ze zonder meer catastrofaal. Lumumba die de twee grootste talen in Kongo (Swahili en Lingala) perfect beheerste was een begenadigde spreker die het volk in een mum van tijd kon ophitsen. Maar zijn onvolwassen politiek optreden eindigde in ongecontroleerde massabewegingen. Onrechtsreeks is hij verantwoordelijk voor de muiterij van de openbare weermacht of force publique, toen nog onder bevel van Belgische officieren. Zij vurige toespraken hadden buitensporige verwachtingen geschapen, die niet konden worden ingelost, met de gekende anarchie als gevolg in de jaren 1960-1965. Deze periode werd met de staatsgreep van Mobutu afgesloten. Voormalig Minister Justin Bomboko (enige universitair geschoolde in de eerste Regering van Congo) heeft tijdens hoorzittigen in de Belgische Senaat begin 2004 onderstreept dat ondanks zijn aandringen de regering geleid dor President Kasavubu en Eerste Minister Lumumba niets heeft ondernomen om de muiterij in de kiem te smoren en te bestraffen, desnoods met behulp van Belgische troepen. Hij wijt aan deze onthouding het verval in de anarchie van zijn nochthans zo beloftevol land in termen van menselijke en materi\u00eble rijkdommen en infrastructuur.<\/p>\n<p>Mobutu<\/p>\n<p>De &#8220;Za\u00efrisering&#8221; van Belgische en buitenlandse bedrijven heeft in 1973 onder het Mobuturegime plaatsgehad. Het is vermeldenswaard dat deze brutale onteigeningsbeweging (eigenaars hadden 24 uur de tijd om de plaats te ruimen voor de &#8220;vrienden&#8221; van het regime) die jaren van leegroof heeft ingeleid in de Wereld verre van de kettingreacties of veroordelingen heeft veroorzaakt van de omvang die de landhervorming van President Mugabe in Zimbabwe heeft teweeggebracht. Nochthans was deze laatste onteigeningsgolf verhoudingsgewijze heel wat minder brutaal en wettelijk beter omkaderd, maar hier ging het om boeren van Britse komaf. Het dient opgemerkt dat Kongo-Za\u00efre, die tot dan een re\u00ebele economische groei had gekend, vanaf dan een permanente economische inkrimping heeft meegemaakt, die nog werd aangewakkerd door de slechte economische conjunctuur in de Wereld.<\/p>\n<p>De Za\u00efrisering heeft Belgi\u00eb er niet toe belet zijn eigen ontwikkelingsprogramma&#8217;s aan te houden in het tot Za\u00efre omgedoopte Kongo, ondanks sterke schommelingen in de bilaterale betrekkingen.<\/p>\n<p>Belgi\u00eb heeft met het Mobuturegime gebroken in 1991 naar aanleiding van niet opgehelderde moorden op de Universiteit van Lubumbashi.<\/p>\n<p>HUIDIGE BELGISCHE AANPAK Sinds 1999 heeft Belgi\u00eb zich onder impuls van Minister Michel opnieuw ingelaten met Centraal Afrika. De opkomst van een transitieregering onder leiding van President Joseph Kabila heeft de hernieuwing van onze betrekkingen met de Demokratische Republiek Kongo (DRK) vergemakkelijkt. In een voorafgaande fase heeft de Belgische diplomatie al zijn krachten gebundeld ten gunste van het herstel van de vrede in de Grote Meren, onder meer metb d steun aan het Lusaka Akkoord (1999) ten behoeve van de DRK. Belgi\u00eb heeft actief bijgedragen tot de totstandkoming van vredesakkoorden onder Afrikanen volgens het principe van African Ownership.<\/p>\n<p>Belgi\u00eb is het enige land dat zijn post-koloniale vergissingen heeft toegegeven, zoals in Rwanda in 2000 waar Eerste Minister Verhofstadt de verontschuldiging van de Belgische Regering en het Belgische volk heeft aangeboden voor hun schuldig verzuim tijdens de Rwandese genocide. Men kan nog de actieve rol opmerken van Minister Michel in 2001 naar aanleiding van de Conferentie over racisme in Durban in Zuid Afrika, waar hij zich ingespannen heeft voor collectieve excuses van de Europese Unie met betrekking tot de slavenhandel.<\/p>\n<p>Deze periode werd tevens gekenmerkt door de openbare verontschuldiging van de Belgische Regering voor de morele verantwoordelijkheid van Belgi\u00eb voor de moord op Lumumba en de uitnodiging van Eerste Minister Verhofstadt (naar aanleiding van zijn bezoek in de DRK ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de onafhankelijkheid in 2000) om de betrekkingen op een nieuwe grondslag voort te bouwen. Men kan tevens opmerken dat ondanks een erg gespannen klimaat Minister Michel de enige aanwezige Westerse Staatsman was op uitvaart van Kongolese President Laurent D\u00e9sir\u00e9 Kabila.<\/p>\n<p>Met de terugtrekking van buitenlandse troepen uit de DRK en het einde van de burgeroorlog in dit land is een nieuwe transitieperiode in voege getreden. Belgi\u00eb zal zijn ontwikkelingshulp naar de DRK verdubbelen, met een benadrukking van het herstel van de openbare functies van de Staat, welke tijdens nagenoeg een halve eeuw tekortgedaan werden : justitie, bestuur, veiligheid, maar ook gezondheidszorg, onderwijs, infrastructuur.<\/p>\n<p>A posteriori kan geen enkel koloniaal systeem verantwoord worden. Men kan betreuren dat het paternalisme van het Belgisch koloniaal systeem en de afwezigheid van lokale elites tot een afgeraffelde onafhankelijkheid hebben geleid.<\/p>\n<p>De houding van Kongolezen tegenover Belgi\u00eb kenmerkt zich in de meeste gevallen door een mengeling van genegenheid (de &#8220;nokos&#8221; of ooms) en verstoordheid. Hun verwachtingen, die verwijzen naar een mythisch verleden waar het economisch systeem werkte (maar met abstractie van de onbillijke fundering van het koloniaal systeem), overtreffen echter van ver onze mogelijkheden. Belgi\u00eb kan zich vandaag niet alleen inlaten met Kongo zonder de hulp van de Europese Unie en de internationale Gemeenschap. Een constructieve houding van de Kongolese politieke krachten is eveneens bepalend voor de ontwikkeling van dit land.<\/p>\n<p>Men kan echter even stilstaan bij de toespraak van President Kabila voor de Belgische Senaat op 11 februari 2004, waar hij een uitgesproken hulde uitbrengt aan de missionarissen, ambtenaren en ondernemers die bijgedragen hebben tot de totstandkoming van een Staat in het hart van Afrika, met een expliciete verwijzing naar Leopold II, als stichtend element van deze Staat. Zo een toespraak staat in schril contrast met vooroordelen die elders worden gedragen en ertoe neigen ons koloniaal verleden te herleiden tot een puinhoop van misbruiken en falingen.<\/p>\n<p><strong>Alexis de Crombrugghe<\/strong><\/p>\n<p><strong>Perceptions de la colonisation belge au Congo<br \/>\n<\/strong><\/p>\n<p><strong> <\/strong><\/p>\n<p>La pr\u00e9sente note se concentre sur le Congo, qui devint effectivement une colonie belge en 1908, alors que le Ruanda-Urundi furent des territoires sous mandat de la Ligue de Nations, puis des Nations Unies.<\/p>\n<p><strong>SYNTHESE :<\/strong><\/p>\n<p>Il existe dans le monde anglo-saxon une perception n\u00e9gative de la colonisation belge, datant de la campagne humanitaire contre L\u00e9opold II et raviv\u00e9e par le best-seller r\u00e9cent d&#8217;Adam Hochschild (&#8221; le Fant\u00f4me du Roi L\u00e9opold II. Un Holocauste oubli\u00e9 &#8220;). Cette perception pourrait encore prendre de l&#8217;ampleur avec des reportages et films de fiction qui sont annonc\u00e9s prochainement. Si des abus ont \u00e9t\u00e9 commis sous l&#8217;Etat Ind\u00e9pendant du Congo (EIC), les all\u00e9gations de g\u00e9nocide ou de massacre \u00e0 grande \u00e9chelle sont r\u00e9fut\u00e9es par les faits. Par ailleurs, il est utile de rappeler le faible niveau de contr\u00f4le exerc\u00e9 par la restreinte administration de l&#8217;EIC sur un territoire grand comme 80 fois la Belgique. Avec la cession du Congo \u00e0 la Belgique en 1908, il sera mis fin au syst\u00e8me d&#8217;exploitation de l&#8217;EIC. Lors de cette p\u00e9riode allant jusqu&#8217;\u00e0 l&#8217;ind\u00e9pendance en 1960, la Belgique a incontestablement men\u00e9 une action vigoureuse de d\u00e9veloppement \u00e9conomique et social du Congo, faisant du Congo le pays d&#8217;Afrique affichant le plus important PIB par habitant. On a pu nous reprocher le paternalisme pratiqu\u00e9 sous la colonisation, mais il \u00e9tait dans l&#8217;air du temps et comportait tout aussi bien son aspect positif de promotion du bien-\u00eatre congolais : une alphab\u00e9tisation massive, puis la mise en place d&#8217;un syst\u00e8me d&#8217;enseignement de haute qualit\u00e9 en pleine expansion, une couverture sanitaire g\u00e9n\u00e9ralis\u00e9e avec la lutte contre les maladies end\u00e9miques, le d\u00e9veloppement de centres urbanis\u00e9s et ruraux avec acc\u00e8s au cr\u00e9dit et \u00e0 la propri\u00e9t\u00e9. D&#8217;autre part, la pression pour une ind\u00e9pendance imm\u00e9diate en 1960 n&#8217;a pas permis une transition en douceur non plus. Aujourd&#8217;hui la Belgique est le seul pays \u00e0 avoir assum\u00e9 ses erreurs post-coloniales et s&#8217;est engag\u00e9e r\u00e9solument dans la reconstruction d&#8217;un Congo uni et pacifi\u00e9.<\/p>\n<p>FAITS HISTORIQUES<\/p>\n<p>L&#8217;Etat Ind\u00e9pendant du Congo<\/p>\n<p>Le 23 f\u00e9vrier 1885, \u00e0 l&#8217;issue de la Conf\u00e9rence de Berlin, les Etats participants, dont la France, le Royaume-Uni, le Portugal, l&#8217;Allemagne et les Etats-Unis recon-naissent l&#8217;Etat ind\u00e9pendant du Congo (EIC) comme propri\u00e9t\u00e9 priv\u00e9e de L\u00e9opold II, Roi des Belges. Les membres de l&#8217;administration mise en place au Congo par l&#8217;EIC \u00e9taient europ\u00e9ens, principalement belges, italiens et scandinaves. Cette population europ\u00e9enne n&#8217;a jamais d\u00e9pass\u00e9 4.000 personnes.<\/p>\n<p>Les accusations port\u00e9es contre l&#8217; EIC<\/p>\n<p>Que des abus aient \u00e9t\u00e9 commis du temps de l&#8217;EIC est ind\u00e9niable. Entre 1885 et 1890 l&#8217;EIC s&#8217;est lanc\u00e9 dans une exploitation commerciale intensive d&#8217;abord de l&#8217;ivoire et ensuite du caoutchouc sauvage. Parmi les aventuriers partis pour le Congo il y en avait de peu scrupuleux. Les administrateurs \u00e9taient tenus \u00e0 des obligations de r\u00e9sultat et faisaient peser de lourdes charges sur les populations mises \u00e0 contribution. Il est par contre abusif, comme la presse l&#8217;a parfois affirm\u00e9, de parler de &#8221; g\u00e9nocide &#8220;. Il ressort de l&#8217;article II de la Convention sur la pr\u00e9vention et r\u00e9pression du crime de g\u00e9nocide que trois \u00e9l\u00e9ments sont constitutifs de ce crime : (1) un acte criminel (2) &#8221; dans l&#8217;intention \u2026 de d\u00e9truire en tout ou en partie &#8221; (3) un groupe donn\u00e9 et vis\u00e9 &#8221; comme tel &#8220;. L&#8217;\u00e9l\u00e9ment intentionnel est central dans cette d\u00e9finition. Or, cet \u00e9l\u00e9ment est totalement absent en l&#8217;occurrence &#8211; il n&#8217;a jamais exist\u00e9 d&#8217;intention de d\u00e9truire la population congolaise ou un quelconque &#8221; groupe national, ethnique, racial ou religieux &#8221; d\u00e9fini comme tel. Bien au contraire l&#8217;administration de l&#8217;EIC avait un besoin aigu de main d&#8217;\u0153uvre et n&#8217;avait donc aucun int\u00e9r\u00eat \u00e0 d\u00e9cimer les populations indig\u00e8nes. Reste la question d&#8217;actes criminels imputables aux autorit\u00e9s de l&#8217;EIC. Dans ce contexte-l\u00e0, il est \u00e9galement abusif de pr\u00e9tendre qu&#8217;il y aurait eu des millions de victimes ou que la moiti\u00e9 de la population congolaise ait \u00e9t\u00e9 d\u00e9cim\u00e9e. Diverses sources sont \u00e0 l&#8217;origine de ce chiffre peu cr\u00e9dible. Tout d&#8217;abord, Edmond Morel, journaliste britannique et pr\u00e9curseur du mouvement international actuel de d\u00e9fense des Droits de l&#8217;Homme, d\u00e9clarait s&#8217;inspirer d&#8217;une comparaison entre les chiffres de la population publi\u00e9s par l&#8217;EIC et le Congo belge. Il cite en 1912 le chiffre de 7.248.000 habitants (chiffre provenant de l&#8217;administration coloniale belge) et le compare aux chiffres cit\u00e9s ant\u00e9rieurement qui n&#8217;\u00e9taient jamais inf\u00e9rieurs \u00e0 15, 20 ou m\u00eame 30 millions d&#8217;habitants (article du 1er juillet 1912 dans le Westminster Gazette). Ce chiffre est \u00e9tonnant en comparaison avec le recensement de 1924 qui faisait \u00e9tat de 10 millions d&#8217;habitants. Comment une population an\u00e9mi\u00e9e aurait-elle pu passer de 7 \u00e0 10 millions d&#8217;\u00e2mes en une d\u00e9cennie? En r\u00e9alit\u00e9, il n&#8217;existait pas \u00e0 l&#8217;\u00e9poque de recensement fiable de la population congolaise. Les premiers vrais recensements datent d&#8217;apr\u00e8s la II\u00e8me Guerre Mondiale. Au 19\u00e8me si\u00e8cle la population congolaise \u00e9tait sans doute bien inf\u00e9rieure \u00e0 10 millions d&#8217;habitants. A titre de comparaison la Rhod\u00e9sie du Sud (ex-Zimbabwe), dont la surface repr\u00e9sentait pr\u00e8s d&#8217;un quart de celle du Congo, recensait \u00e0 peine un demi million d&#8217;habitants \u00e0 la m\u00eame \u00e9poque. Ensuite, le journaliste am\u00e9ricain Adam Hochschild, auteur du livre r\u00e9cent &#8221; Les Fant\u00f4mes du Roi L\u00e9opold II. Un holocauste oubli\u00e9 &#8221; (qui s&#8217;inspire de la compilation d&#8217;archives des Affaires \u00e9trang\u00e8res effectu\u00e9e par le diplomate belge Jules Marchal &#8221; E.D.Morel contre L\u00e9opold II &#8221; voir le site http:\/\/www.cobelco.org) extrapole \u00e0 partir de chiffres connus pour quelques villages o\u00f9 \u00e9tait exploit\u00e9 le caoutchouc sauvage, dont la population masculine \u00e9tait la moiti\u00e9 de la population f\u00e9minine (pour des raisons de migration, maladie, fuite et d\u00e9c\u00e8s) vers 1907-1908 (date du transfert du Congo \u00e0 la Belgique). Extrapoler de tels chiffres de la population masculine en zone d&#8217;exploitation du caoutchouc \u00e0 l&#8217;ensemble de la population du Congo est pour le moins hasardeux. Attribuer \u00e0 l&#8217;EIC la propagation de la maladie du sommeil (qui serait due \u00e0 un affaiblissement g\u00e9n\u00e9ralis\u00e9 de la population) est abusif, alors que le Roi a introduit les premiers programmes d&#8217;\u00e9radication de cette maladie. La th\u00e8se d&#8217;un g\u00e9nocide ou d&#8217;une \u00e9radication \u00e0 grande \u00e9chelle de la population est encore contredite par les \u00e9l\u00e9ments d&#8217;information suivants, qui t\u00e9moignent de l&#8217;emprise limit\u00e9e exerc\u00e9e par l&#8217;administration de l&#8217;EIC sur le Congo : &#8211; La population expatri\u00e9e n&#8217;a jamais d\u00e9pass\u00e9 4.000 personnes \u00e0 cette \u00e9poque. Au d\u00e9but des ann\u00e9es 1890 les agents administratifs en charge de l&#8217;exploitation n&#8217;\u00e9taient que 175. &#8211; Les postes administratifs \u00e9taient situ\u00e9s le long de rivi\u00e8res navigables, accessibles \u00e0 des bateaux \u00e0 vapeur reconstitu\u00e9s \u00e0 partir de pi\u00e8ces d\u00e9mont\u00e9es achemin\u00e9es de Matadi \u00e0 L\u00e9opoldville (Kinshasa). Des exp\u00e9ditions partaient de ces postes \u00e0 l&#8217;int\u00e9rieur des terres sur une distance de 30 \u00e0 maximum 50 km pour ensuite revenir \u00e0 leur base de d\u00e9part. Une large partie du Congo \u00e9tait encore inexplor\u00e9e lors de la reprise par la Belgique en 1908. &#8211; L&#8217;exploitation du caoutchouc sauvage pour laquelle l&#8217;administration de l&#8217;EIC a \u00e9t\u00e9 largement incrimin\u00e9e, ne pouvait se faire qu&#8217;en for\u00eat tropicale dans le bassin du Congo, soit dans une partie seulement du pays. La campagne humanitaire de Morel pouvait \u00e0 l&#8217;\u00e9poque, comme aujourd&#8217;hui, se concevoir contre le monarque d&#8217;un petit pays, mais pas contre une grande puissance. Au m\u00eame moment des colons anglais chassaient les indig\u00e8nes des meilleures terres de Rhod\u00e9sie, sans provoquer une campagne d&#8217;une telle ampleur.<\/p>\n<p>La Commission d&#8217;enqu\u00eate de 1904 Sous la pression internationale inspir\u00e9e par ces campagnes de d\u00e9nigrement, ainsi que celle de l&#8217;opinion en Belgique m\u00eame, une Commission d&#8217;enqu\u00eate fut mise en place par le Roi en 1904. Les r\u00e9sultats de son rapport d&#8217;enqu\u00eate furent publi\u00e9s en 1905 dans le Bulletin officiel de l&#8217;EIC (N\u00b09-10, sept.-oct.1905).<\/p>\n<p>Cette commission, compos\u00e9e de personnalit\u00e9s int\u00e8gres de nationalit\u00e9s diverses (Edmond Janssens, magistrat belge, Giacomo Nisco, italien, et E.de Schumacher, autrichien) eut un large acc\u00e8s \u00e0 des documents et t\u00e9moignages divers sur tout le territoire de l&#8217;EIC et r\u00e9alisa un remarquable travail d&#8217;analyse des maux qui frappaient l&#8217;administration de l&#8217;EIC et de leurs causes, dans la seule perspective de l&#8217;int\u00e9r\u00eat des populations indig\u00e8nes. En guise d&#8217;introduction, la Commission ne manque pas de signaler la s\u00e9curit\u00e9 r\u00e9gnant sur l&#8217;ensemble de l&#8217;EIC, la fin de l&#8217;esclavage, du cannibalisme, l&#8217;urbanisme de Matadi et L\u00e9opoldville, les vicinaux du Mayumbe, le chemin de fer des Cataractes (construit non sans peine pour relier le bas et le haut Congo), celui des Grands Lacs, les 80 steamers, une ligne t\u00e9l\u00e9graphique de 1200 km, des h\u00f4pitaux dans les chefs-lieux, une administration efficace malgr\u00e9 le nombre restreint de ses fonctionnaires, une justice respect\u00e9e par la population indig\u00e8ne l\u00e0 o\u00f9 elle existe d\u00e9j\u00e0, l&#8217;activit\u00e9 des missions.<\/p>\n<p>Le premi\u00e8re critique porte sur l&#8217;interpr\u00e9tation restrictive donn\u00e9e \u00e0 la notion de &#8221; terre vacante &#8221; l\u00e0 o\u00f9 sont install\u00e9s les postes administratifs de l&#8217;EIC. Les populations indig\u00e8nes ne mettant pas en culture les territoires environnant leurs villages, les agents administratifs appropriaient un peu trop facilement ceux-ci au b\u00e9n\u00e9fice de l&#8217;EIC, emp\u00eachant le d\u00e9placement des villages, ou de leurs habitants. M\u00eame si ceux-ci \u00e9taient dans les faits autoris\u00e9s \u00e0 b\u00e9n\u00e9ficier de certains produits du &#8221; domaine public &#8221; ainsi d\u00e9fini, il ne s&#8217;agissait que d&#8217;une tol\u00e9rance r\u00e9vocable. La Commission sugg\u00e9rait d\u00e8s lors d&#8217;abandonner \u00e0 la libre disposition des villageois les zones environnantes.<\/p>\n<p>En mati\u00e8re de libert\u00e9 de commerce, la Commission rel\u00e8ve que, avant l&#8217;EIC, celle-ci s&#8217;exer\u00e7ait surtout dans le trafic de l&#8217;ivoire et celui des esclaves. L&#8217;EIC a mis fin \u00e0 ces deux activit\u00e9s, et il ne subsistait d\u00e8s lors aucune industrie indig\u00e8ne capable d&#8217;alimenter un commerce d&#8217;une certaine importance. En remplacement du troc en vigueur, qui se faisait au d\u00e9triment des indig\u00e8nes, la Commission plaide pour que l&#8217;usage d&#8217;une monnaie (limit\u00e9 jusqu&#8217;alors seulement au Bas-Congo), soit \u00e9tendu \u00e0 toute la partie sup\u00e9rieure du fleuve Congo et de ses affluents.<\/p>\n<p>La Commission, tout en reconnaissant la n\u00e9cessit\u00e9 de l&#8217;imposition d&#8217;une corv\u00e9e en lieu et place d&#8217;un imp\u00f4t en esp\u00e8ces (la population indig\u00e8ne n&#8217;en \u00e9tant pas pourvue) pour permettre le d\u00e9veloppement de l&#8217;EIC (en se r\u00e9f\u00e9rant aux &#8221; corv\u00e9es &#8220;, que constituait le service militaire et les travaux d&#8217;int\u00e9r\u00eat public dans les communes en Europe), remarque que celle-ci fut dans un premier temps appliqu\u00e9e de mani\u00e8re tr\u00e8s variable (de 2 \u00e0 9 kg de caoutchouc par r\u00e9colteur selon les districts). Les r\u00e9tributions n&#8217;\u00e9taient souvent pas \u00e9quitables, seul un taux maximum \u00e9tant fix\u00e9 par l&#8217;EIC. Un d\u00e9cret de 1903 tend \u00e0 corriger sur papier les exc\u00e8s en fixant une dur\u00e9e maximale de 40 heures de corv\u00e9e par mois, et un salaire minimum par r\u00e9colte en fonction de l&#8217;environnement (richesse des for\u00eats, distance du village). L&#8217;application de ce d\u00e9cret tendait cependant \u00e0 maintenir et augmenter les r\u00e9coltes ant\u00e9rieures, d\u00e9j\u00e0 tr\u00e8s lourdes pour les populations concern\u00e9es, quel que soit l&#8217;effort requis. Si l&#8217;objectif de l&#8217;EIC \u00e9tait d&#8217;augmenter les populations mises \u00e0 contribution, celles situ\u00e9es pr\u00e8s de postes \u00e9taient en r\u00e9alit\u00e9 les plus expos\u00e9es. Celles-ci \u00e9taient les plus soumises \u00e0 des obligations de travaux et de ravitaillement, notamment de la Force Publique, ce qui s&#8217;av\u00e9rait tr\u00e8s lourd pour des agglom\u00e9rations comme L\u00e9opoldville, et devenait cause de d\u00e9population, les habitants des villages environnants fuyant vers des lieux plus retir\u00e9s. Le Commission plaidait d\u00e8s lors pour que des cultures vivri\u00e8res soient install\u00e9es et d\u00e9velopp\u00e9es selon des techniques modernes pr\u00e8s des agglom\u00e9rations de l&#8217;EIC. De m\u00eame les corv\u00e9es de coupes de bois pour le carburant des steamers le long des fleuves faisaient fuir les populations environnantes, d\u00e9j\u00e0 clairsem\u00e9es depuis la disparition du commerce d&#8217;esclaves auquel elles s&#8217;adonnaient. Idem pour le portage l\u00e0 o\u00f9 il n&#8217;y avait pas de rivi\u00e8re navigable.<\/p>\n<p>La Commission d\u00e9nonce aussi le type de contrainte impos\u00e9 aux indig\u00e8nes pour amener ceux-ci \u00e0 ex\u00e9cuter leurs t\u00e2ches, dont la prise en otages de leurs chefs ou de leurs femmes. Si ceux-ci n&#8217;\u00e9taient g\u00e9n\u00e9ralement pas maltrait\u00e9s dans les postes, le probl\u00e8me des s\u00e9vices se posait dans des r\u00e9gions \u00e9chappant au contr\u00f4le de l&#8217;administration, notamment lors d&#8217;exp\u00e9ditions de seuls \u00e9l\u00e9ments indig\u00e8nes de la Force Publique, souvent issus d&#8217;une r\u00e9gion diff\u00e9rente et n&#8217;ayant d\u00e8s lors aucun m\u00e9nagement vis \u00e0 vis des populations sous leur contr\u00f4le.<\/p>\n<p>Il en allait de m\u00eame dans les zones conc\u00e9d\u00e9es \u00e0 des soci\u00e9t\u00e9s commerciales. La d\u00e9l\u00e9gation de la corv\u00e9e \u00e0 celles-ci, anim\u00e9es par le seul esprit de lucre, est fortement critiqu\u00e9e par la Commission. Les abus les plus graves ont \u00e9t\u00e9 commis en zone sous concession.<\/p>\n<p>En conclusion la Commission ne s&#8217;oppose pas \u00e0 l&#8217;\u00e9tablissement d&#8217;un imp\u00f4t collectif en fonction de la population d&#8217;un village, mais en confiant au chef traditionnel la t\u00e2che d&#8217;en fixer les modalit\u00e9s d&#8217;application, et en lui offrant l&#8217;appui de l&#8217;administration au besoin.<\/p>\n<p>La Commission d\u00e9nonce l&#8217;emploi abusif d&#8217;exp\u00e9ditions militaires, notamment pour la perception d&#8217;imp\u00f4ts ou \u00e0 titre punitif pour punir un crime. En particulier l&#8217;envoi de patrouilles sans commandement europ\u00e9en est stigmatis\u00e9 en raison du r\u00e9veil &#8221; d&#8217;instincts sanguinaires &#8221; de soldats indig\u00e8nes livr\u00e9s \u00e0 eux-m\u00eames. C&#8217;est durant ces exp\u00e9ditions que la plupart des meurtres reproch\u00e9s \u00e0 l&#8217;EIC ont \u00e9t\u00e9 commis. De tels abus \u00e9taient \u00e9galement commis par des compagnies priv\u00e9es, en d\u00e9pit de l&#8217;interdiction formelle par l&#8217;EIC.<\/p>\n<p>La Commission d\u00e9nonce enfin l&#8217;adoption abusive par l&#8217;EIC et les missions religieuses d&#8217;enfants consid\u00e9r\u00e9s comme abandonn\u00e9s, alors que dans la culture africaine ils peuvent \u00eatre accueillis dans leur famille \u00e9largie. Ces enfants d\u00e9racin\u00e9s constituaient souvent plus tard une main d&#8217;\u0153uvre potentielle pour la Force Publique. La Commission souligne cependant le bon traitement dont b\u00e9n\u00e9ficient les enfants accueillis dans les missions. Plut\u00f4t que de d\u00e9raciner les enfants de leur environnement naturel, la Commission propose e g\u00e9n\u00e9raliser l&#8217;instruction obligatoire sur tout le territoire.<\/p>\n<p>La Commission estime par contre que rien ne peut \u00eatre reproch\u00e9 aux recrutements volontaires de la Force Publique, exer\u00e7ant un attrait certain aupr\u00e8s des populations indig\u00e8nes en raison de la s\u00e9curit\u00e9 d&#8217;existence qu&#8217;elle offrait, tout en plaidant pour que les recrues puissent \u00eatre accompagn\u00e9es de leurs \u00e9pouses et soient tenues \u00e0 une stricte surveillance et discipline afin d&#8217;\u00e9viter les exc\u00e8s, notamment le cannibalisme, propres \u00e0 leurs tribus d&#8217;origine.<\/p>\n<p>Les mains coup\u00e9es La campagne de Morel fut \u00e9galement nourrie par l&#8217;histoire des pieds et de mains d&#8217;indig\u00e8nes coup\u00e9es par des \u00e9l\u00e9ments autochtones de la Force Publique . En r\u00e9alit\u00e9 les soldats indig\u00e8nes de la Force Publique avaient pour instruction de ramener la preuve que les cartouches qu&#8217;ils utilisaient l&#8217;avaient \u00e9t\u00e9 au combat. Pour ce faire ils amputaient leurs adversaires d\u00e9c\u00e9d\u00e9s. Il y a lieu de ne pas confondre cette pratique r\u00e9voltante avec l&#8217;application de la charia en zone d&#8217;influence swahili, domin\u00e9e auparavant par des marchands d&#8217;esclaves. Ainsi que le constate la Commission d&#8217;enqu\u00e8te, il n&#8217;y a jamais eu de &#8221; politique de mutilation &#8221; de l&#8217;EIC. L&#8217;amputation de cadavres relevait de coutumes locales, la mutilation des ennemis tomb\u00e9s \u00e9tant fr\u00e9quente dans les guerres entre indig\u00e8nes de certaines r\u00e9gions. Parfois des personnes vivantes ont \u00e9t\u00e9 mutil\u00e9es et laiss\u00e9es pour mortes, leurs bracelets vol\u00e9s. Jamais un Europ\u00e9en n&#8217;a inflig\u00e9 ce ch\u00e2timent. Ceci n&#8217;excuse \u00e9videmment pas le syst\u00e8me r\u00e9pr\u00e9hensible qui a rendu possible de tels exc\u00e8s, ni le caract\u00e8re choquant que rev\u00eat l&#8217;amputation de cadavres.<\/p>\n<p>Qu &#8216;en conclure ? Il faut reconna\u00eetre que le syst\u00e8me d&#8217;exploitation de l&#8217;EIC a men\u00e9 \u00e0 des abus de nature \u00e0 susciter une r\u00e9action telle que le mouvement &#8221; humanitaire &#8221; lanc\u00e9 par Edmond Morel au Royaume-Uni. Ces abus s&#8217;expliquent sans doute, sans se justifier pour autant, par le fait que le Roi L\u00e9opold II a investi seul toute sa fortune dans l&#8217;aventure coloniale. Le Gouvernement et le Parlement belge, sans doute marqu\u00e9s par l&#8217;ind\u00e9pendance r\u00e9cente de la Belgique lib\u00e9r\u00e9e du joug des autres nations, ont refus\u00e9 de le suivre dans celle-ci. L&#8217;entreprise exigeant des fonds importants, le Roi s&#8217;est retrouv\u00e9 en \u00e9tat de faillite virtuelle, endett\u00e9 aupr\u00e8s des banques europ\u00e9ennes de l&#8217;\u00e9poque et du Gouvernement. On peut donc comprendre qu&#8217;il ait donn\u00e9 pour consigne \u00e0 ses administrateurs d&#8217;obtenir du &#8221; rendement &#8221; sans \u00eatre trop regardant sur les cons\u00e9quences que cela pouvait avoir pour la dignit\u00e9 humaine de leurs administr\u00e9s. Le Roi ne s&#8217;est jamais rendu au Congo. A l&#8217;\u00e9poque des premi\u00e8res voitures automobiles l&#8217;exploitation du caoutchouc sauvage allait s&#8217;av\u00e9rer une mine d&#8217;or pour le nouvel Etat.<\/p>\n<p>On ne peut par contre cautionner les th\u00e8ses donnant \u00e0 ces abus l&#8217;allure d&#8217;un &#8221; g\u00e9nocide &#8221; ou d&#8217;un massacre. Les &#8221; preuves &#8221; avanc\u00e9es pour sous-tendre ces th\u00e8ses ne r\u00e9sistent pas \u00e0 l&#8217;analyse et sont encore contredites par le maintien des chefferies et structures traditionnelles sous la colonisation belge. On ne peut ignorer par ailleurs le caract\u00e8re biais\u00e9 de la campagne anti-L\u00e9opoldiste men\u00e9e \u00e0 partir du Royaume Uni. L&#8217;usage abusif de certaines images (comme celle de certaines personnes mutil\u00e9es) visait visiblement \u00e0 choquer l&#8217;opinion plut\u00f4t qu&#8217;\u00e0 informer celle-ci.<\/p>\n<p>P\u00e9riode coloniale belge (1908-1960)<\/p>\n<p>La transition<\/p>\n<p>Le 18 octobre 1908, le Congo est c\u00e9d\u00e9 \u00e0 l&#8217;Etat belge et la Loi sur le Gouvernement du Congo belge est promulgu\u00e9e. Cette cession, sous pression des Etats-Unis et du Royaume-Uni (3 d\u00e9marches conjointes furent entreprises par leurs l\u00e9gations \u00e0 Bruxelles \u00e0 l&#8217;\u00e9poque), fut l&#8217;objet d&#8217;\u00e2pres n\u00e9gociations. A l&#8217;\u00e9poque, le Congo restait encore largement &#8216;terra incognita&#8217;. Il n&#8217;y eut plus au Congo belge les abus datant de l&#8217;EIC, ce qui fut reconnu par les missionnaires protestants (\u00e0 l&#8217;origine de la campagne de Morel) et par les Consuls britanniques en tourn\u00e9e d&#8217;inspection. Le Congo fut d\u00e9velopp\u00e9 et exploit\u00e9 d&#8217;une mani\u00e8re paternaliste. La population expatri\u00e9e belge avant la II\u00e8me Guerre Mondiale ne d\u00e9passera pas 15.000 personnes (sur 25.000 Europ\u00e9ens), et restera inf\u00e9rieure \u00e0 100.000 personnes (sur 112.000 Europ\u00e9ens) apr\u00e8s la II\u00e8me Guerre Mondiale. Dans un d\u00e9lai de trois ans apr\u00e8s la reprise du Congo, le Gouvernement proc\u00e9da \u00e0 la suppression du syst\u00e8me d&#8217;exploitation de l&#8217;EIC. Sur le plan \u00e9conomique, la colonisation belge est marqu\u00e9e par la mont\u00e9e en puissance de grandes soci\u00e9t\u00e9s d&#8217;exploitation mini\u00e8re \u00e0 capitaux belges, am\u00e9ricains ou anglais (Formini\u00e8re pour le diamant du Kasai, Union mini\u00e8re, dont le si\u00e8ge se trouvait \u00e0 Salisbury en Rhod\u00e9sie, pour le cuivre du Katanga). Les investissements d\u00e9passaient de 140% ceux faits dans les deux Rhod\u00e9sies, et de 200% ceux effectu\u00e9s en Afrique noire fran\u00e7aise. L&#8217;agriculture, qui au d\u00e9but du 20\u00e8me si\u00e8cle d\u00e9passait de 20% la production mini\u00e8re, \u00e9tait alors essentiellement entre des mains indig\u00e8nes. Lever Brothers acquit ensuite d&#8217;importantes concessions pour l&#8217;exploitation de l&#8217;huile de palme. La Soci\u00e9t\u00e9 G\u00e9n\u00e9rale, outre ses int\u00e9r\u00eats dans les soci\u00e9t\u00e9s mini\u00e8res, se lan\u00e7ait dans l&#8217;exploitation du coton (Cotonco, produisant 80% de la production congolaise en 1925). Si ces grandes soci\u00e9t\u00e9s se sont incontestablement enrichies gr\u00e2ce aux ressources naturelles du Congo, elles ont \u00e9galement introduit des normes hygi\u00e9niques et une s\u00e9curit\u00e9 alimentaire, inexistantes dans le Copperbelt rhod\u00e9sien voisin. Il faut toutefois reconna\u00eetre que, jusque dans les ann\u00e9es 1920, elles faisaient souvent recours \u00e0 des m\u00e9thodes de recrutement forc\u00e9, comme cela se pratiquait sans doute ailleurs. La multiplication des p\u00f4les de productions vari\u00e9es sur l&#8217;ensemble du Congo a contribu\u00e9 grandement \u00e0 un d\u00e9veloppement touchant uniform\u00e9ment tout l&#8217;int\u00e9rieur du pays autant que les centres urbains. Les ann\u00e9es 1920 voient le d\u00e9but d&#8217;une politique de la main d&#8217;\u0153uvre locale. Si des abus continuent \u00e0 \u00eatre not\u00e9s dans le chef de certaines soci\u00e9t\u00e9s, il est cependant inexact de leur attribuer un caract\u00e8re syst\u00e9matique. La politique officielle tend \u00e0 les r\u00e9primer, bien qu&#8217;avec un succ\u00e8s in\u00e9gal. Vers la m\u00eame \u00e9poque la politique fiscale de la colonie se modifie \u00e9galement : l&#8217;imp\u00f4t indig\u00e8ne ne constitue plus qu&#8217;un cinqui\u00e8me des recettes ordinaires au lieu de presque la moiti\u00e9 encore avant 1920. Le sch\u00e9ma d&#8217;Europ\u00e9ens gouvernant et exploitant par l&#8217;interm\u00e9diaire d&#8217;une couche de subalternes alli\u00e9s noirs, propre au temps de l&#8217;EIC, est progressivement remplac\u00e9, durant l&#8217;entre-deux-guerres, par l&#8217;introduction de l&#8217;administration indirecte, les cultures obligatoires et l&#8217;emprise grandissante (renforc\u00e9e par la crise des ann\u00e9es 30) des grandes soci\u00e9t\u00e9s sur le petit commerce et le colonat. Ce syst\u00e8me \u00e9conomique sera \u00e0 l&#8217;origine d&#8217;un nouveau prol\u00e9tariat. En m\u00eame temps que l&#8217;extension des soci\u00e9t\u00e9s commerciales \u00e0 l&#8217;int\u00e9rieur du pays, les missions religieuses d\u00e9veloppent une pr\u00e9sence qui entra\u00eene aussi une extension g\u00e9n\u00e9ralis\u00e9e de l&#8217;enseignement (alphab\u00e9tisation), des soins de sant\u00e9 et d&#8217;une am\u00e9lioration des techniques de production agricole. Certes le syst\u00e8me scolaire, indiscutablement paternaliste, ne vise pas \u00e0 former des \u00e9lites, mais \u00e0 &#8221; faire en sorte que les \u00e9coles soient adapt\u00e9es au milieu indig\u00e8ne et bas\u00e9es sur la mentalit\u00e9 et les langues indig\u00e8nes, qu&#8217;elles aient un caract\u00e8re essentiellement technique &#8221; (Ministre Franck en 1920, pour qui l&#8217;indig\u00e8ne devait apprendre \u00e0 utiliser ses mains pour \u00eatre un travailleur utile et satisfait). Dans les ann\u00e9es 30, les grandes soci\u00e9t\u00e9s entreprennent cependant la formation d&#8217;un personnel sp\u00e9cialis\u00e9. A cette \u00e9poque aussi le nombre d&#8217;infirmiers et de moniteurs form\u00e9s par les missions augmente de fa\u00e7on sensible.<\/p>\n<p>Bilan de la colonisation belge<\/p>\n<p>On ne peut nier l&#8217;influence de la Belgique comme deuxi\u00e8me nation missionnaire apr\u00e8s la France dans le monde (62% des 5.000 missionnaires se trouvent au Congo en 1940). Pr\u00e8s de 20% de la population belge au Congo sont alors compos\u00e9s de missionnaires. Ceux-ci \u00e9voluent d&#8217;une formation des indig\u00e8nes vers une valorisation plus grande d&#8217;un clerg\u00e9 local. Leur apport en termes de promotion sociale multiforme a \u00e9t\u00e9 d\u00e9terminant dans le d\u00e9veloppement des populations congolaises et l&#8217;\u00e9l\u00e9vation de leur niveau de vie. Apr\u00e8s la II\u00e8me Guerre Mondiale les changements au sein des forces politiques belges favorisent la mont\u00e9e des \u00e9lites urbaines, recrut\u00e9es au sein d&#8217;une petite bourgeoisie congolaise (clercs, commis, infirmiers), qui deviendra le fer de lance du mouvement pour l&#8217;ind\u00e9pendance en 1959-1960. Le syst\u00e8me \u00e9ducatif organis\u00e9 par le pouvoir colonial belge a privil\u00e9gi\u00e9 l&#8217;\u00e9ducation \u00e9l\u00e9mentaire du plus grand nombre, dans une perspective \u00e9volutive. C&#8217;est ainsi que le Congo belge a atteint le taux d&#8217;analphab\u00e9tisme le plus faible de tout le continent africain, et que toute l&#8217;infrastructure \u00e9tait en place, jusqu&#8217;au niveau des universit\u00e9s (cr\u00e9ation de Lovanium en 1954), pour \u00e9voluer vers un syst\u00e8me d&#8217;\u00e9ducation compl\u00e8te au niveau de la nation congolaise. Au niveau sanitaire, le pouvoir colonial a \u00e9galement mis en place un r\u00e9seau hospitalier et m\u00e9dical d&#8217;une qualit\u00e9 et d&#8217;une densit\u00e9 unique en Afrique, \u00e0 la port\u00e9e des populations congolaises. La m\u00e9decine de &#8216;premier monde&#8217; pratiqu\u00e9e au Congo attirait m\u00eame les Sud-Africains \u00e0 Elisabethville pour des cas d\u00e9licats. Une controverse aliment\u00e9e par le journaliste britannique Hooper touche actuellement une campagne de vaccination en 1960 au Congo contre la polio, qui pourrait \u00eatre \u00e0 l&#8217;origine de la propagation du virus du Sida. En r\u00e9alit\u00e9 des populations, tant africaines qu&#8217;europ\u00e9ennes, furent vaccin\u00e9es, sans que ces derni\u00e8res n&#8217;aient manifest\u00e9 depuis lors de sympt\u00f4me du virus. Au niveau des communications, de l&#8217;urbanisation, le pouvoir colonial belge privil\u00e9giait en toutes circonstances la qualit\u00e9 et l&#8217;\u00e9galit\u00e9 de traitement avec les techniques et l&#8217;intensit\u00e9 de d\u00e9veloppement de la M\u00e9tropole. Ainsi, les villes principales \u00e9taient-elles dot\u00e9es, d\u00e8s les ann\u00e9es 50, du &#8221; tout \u00e0 l&#8217;\u00e9go\u00fbt &#8221; comme les villes belges, le r\u00e9seau ferr\u00e9 \u00e9tait-il graduellement \u00e9lectrifi\u00e9 d\u00e8s le d\u00e9but des ann\u00e9es 50 tout comme le r\u00e9seau belge. Cette approche valait aussi pour le r\u00e9seau de communications par phonie, t\u00e9l\u00e9graphe et t\u00e9l\u00e9phone, et pour l&#8217;am\u00e9nagement progressiste et sophistiqu\u00e9 des centres urbains en pleine croissance.<\/p>\n<p>Il est incontestable que le Congo a rapport\u00e9 \u00e0 la Belgique, tout comme il est ind\u00e9niable que l&#8217;effort de d\u00e9veloppement engag\u00e9 par les autorit\u00e9s coloniales belges a \u00e9t\u00e9 d&#8217;une intensit\u00e9 et d&#8217;un rayonnement aupr\u00e8s des masses populaires in\u00e9gal\u00e9 par aucune autre puissance coloniale en Afrique, en un laps de temps finalement assez court. Il faut noter aussi que les richesses produites &#8211; notamment au Katanga &#8211; ne sont que la r\u00e9sultante d&#8217;un savoir-faire d\u00e9velopp\u00e9 par les Belges durant la colonisation. S&#8217;il est vrai que le Congo \u00e9tait financi\u00e8rement ind\u00e9pendant de la M\u00e9tropole (sauf durant les ann\u00e9es 1930, la crise \u00e9conomique mondiale obligeant celle-ci \u00e0 compenser l&#8217;importante baisse des revenus d&#8217;exportation de la colonie), il faut noter que la Belgique, en vertu de l&#8217;Acte de Berlin de 1885, ne b\u00e9n\u00e9ficiait d&#8217;aucun privil\u00e8ge commercial dans l&#8217;exploitation de sa colonie. En cons\u00e9quence, entre les deux guerres, seulement 1 \u00e0 2 % des exportations belges allaient vers le Congo, et 4 \u00e0 6 % \u00e0 la veille de l&#8217;ind\u00e9pendance. De m\u00eame la production congolaise \u00e9coul\u00e9e en Belgique ne repr\u00e9sentait que 1 % de nos importations en 1925, de 4 \u00e0 7 % durant les ann\u00e9es 30, et \u00e0 peine 8 % avant l&#8217;ind\u00e9pendance. Pour l&#8217;\u00e9conomie congolaise, la Belgique ne repr\u00e9sentait qu&#8217;un tiers de ses importations, et un quart \u00e0 une moiti\u00e9 de ses exportations avant l&#8217;ind\u00e9pendance. En comparaison, la production des colonies britanniques ou fran\u00e7aises \u00e9tait asservie \u00e0 l&#8217;industrie de leurs m\u00e9tropoles respectives. Au moment de l&#8217;ind\u00e9pendance, les Belges ont l\u00e9gu\u00e9 au Congo une infrastructure administrative, \u00e9conomique, sociale, m\u00e9dicale et \u00e9ducative de tout premier ordre, intacte, qui aurait pu, en d&#8217;autres circonstances que celles entourant la p\u00e9riode de d\u00e9colonisation, permettre l&#8217;\u00e9mergence d&#8217;un pays prosp\u00e8re. Celui-ci disposait \u00e0 son ind\u00e9pendance du PIB par habitant le plus \u00e9lev\u00e9 du continent africain (sup\u00e9rieur \u00e0 celui de l&#8217;Afrique du Sud\u2026et du Canada). C&#8217;est aussi le pouvoir colonial qui a organis\u00e9 des \u00e9lections libres et transparentes, qui ont vu l&#8217;\u00e9mergence de leaders nationalistes pourtant largement oppos\u00e9s \u00e0 la Belgique. Par contraste, le discours de Lumumba aux c\u00e9r\u00e9monies de l&#8217;ind\u00e9pendance exprimait une r\u00e9elle frustration des \u00e9lites politiques congolaises vis-\u00e0-vis d&#8217;un paternalisme, sinon d&#8217;un racisme d&#8217;un certain nombre de colons (&#8221; tutoyant &#8221; leurs ouailles, pratiquant la &#8221; chicotte &#8220;, une sorte de fouet, dans un pass\u00e9 plus lointain). La cr\u00e9ation d&#8217;une caste d&#8217; &#8221; \u00e9volu\u00e9s &#8221; par le colonisateur est \u00e9galement une insulte \u00e0 la dignit\u00e9 de l&#8217;Africain et de sa culture.<\/p>\n<p>L&#8217;ind\u00e9pendance (30 juin 1960)<\/p>\n<p>La Belgique, mise sous pression par le mouvement de d\u00e9colonisation d&#8217;apr\u00e8s-guerre, a mal pr\u00e9par\u00e9 l&#8217;ind\u00e9pendance de son ancienne colonie. Compte tenu du syst\u00e8me paternaliste en vigueur, le Gouvernement belge a propos\u00e9 en vain une transition de 5 ans lors de la table ronde de Bruxelles en 1959. Les pressions pour une ind\u00e9pendance imm\u00e9diate ne venaient pas seulement de l&#8217;ext\u00e9rieur, mais \u00e9galement de l&#8217;int\u00e9rieur, avec un Parlement belge particuli\u00e8rement instable, m\u00eame au sein de la majorit\u00e9 chr\u00e9tienne-lib\u00e9rale du moment, sans compter les attaques de l&#8217;opposition socialiste.. Il est ind\u00e9niable que la d\u00e9claration du G\u00e9n\u00e9ral De Gaulle \u00e0 Brazzaville en 1959 (appelant \u00e0 l&#8217;ind\u00e9pendance) a eu un effet non n\u00e9gligeable sur les masses \u00e9lectris\u00e9es \u00e0 Kinshasa et dans les grandes villes. De leur c\u00f4t\u00e9 les leaders nationalistes congolais, entra\u00een\u00e9s par un Lumumba virulent, se montraient inflexibles quant \u00e0 l&#8217;exigence d&#8217;une ind\u00e9pendance imm\u00e9diate. Le Parlement belge a officiellement reconnu la responsabilit\u00e9 &#8221; morale &#8221; de la Belgique pour l&#8217;assassinat de Lumumba, qu&#8217;elle n&#8217;a pas emp\u00each\u00e9. Ceci ne devrait pas occulter le caract\u00e8re tr\u00e8s versatile du personnage, mis en \u00e9vidence dans le livre &#8221; Congo Cables &#8221; (dont la publication est aujourd&#8217;hui \u00e9puis\u00e9e) d&#8217;une journaliste am\u00e9ricaine ayant eu acc\u00e8s aux t\u00e9lex confidentiels du D\u00e9partement d&#8217;Etat sous la Pr\u00e9sidence de Jimmy Carter. Il pouvait dans le m\u00eame temps courtiser les Etats Unis et stigmatiser l&#8217;imp\u00e9rialisme am\u00e9ricain (\u00e0 une \u00e9poque o\u00f9 les diplomates belges avaient \u00e9t\u00e9 chass\u00e9s de Kinshasa). Cette versatilit\u00e9 se manifestait \u00e9galement vis \u00e0 vis de l&#8217;Union sovi\u00e9tique ou des Nations Unies (voir ses diff\u00e9rends avec Dag Hammarskjold). Pour la politique int\u00e9rieure congolaise elle s&#8217;est av\u00e9r\u00e9e catastrophique. Lumumba, qui ma\u00eetrisait \u00e0 la fois le Lingala et le Swahili, principales langues du Congo, \u00e9tait en effet un tribun hors pair capable d&#8217;\u00e9lectriser les foules, mais son action politique souvent immature r\u00e9sultait dans des mouvements de masse incontr\u00f4l\u00e9s. Indirectement il est responsable des mutineries de la Force Publique encore sous contr\u00f4le d&#8217;officiers belges, ses discours inflammatoires ayant cr\u00e9\u00e9 des attentes disproportionn\u00e9es au sein de celle-ci, avec les r\u00e9sultats anarchiques que l&#8217;on sait pour la p\u00e9riode 1960-1965, qui s&#8217;est termin\u00e9e par la prise de pouvoir de Mobutu. L&#8217;ancien Ministre Justin Bomboko (seul dipl\u00f4m\u00e9 universitaire du premier Gouvernement congolais) a soulign\u00e9 lors d&#8217;auditions au S\u00e9nat de Belgique d\u00e9but 2004 que, malgr\u00e9 ses propres exhortations, le Gouvernement dont il faisait partie, pr\u00e9sid\u00e9 par le Pr\u00e9sident Kasa Vubu et le Premier Ministre Lumumba, n&#8217;avait rien fait pour r\u00e9primer et sanctionner la mutinerie, \u00e0 l&#8217;aide de troupes belges si n\u00e9cessaire, et attribue \u00e0 cette abstention le basculement dans l&#8217;anarchie d&#8217;un pays si prometteur en termes de ressources humaines et mat\u00e9rielles et d&#8217;infrastructures<\/p>\n<p>Mobutu<\/p>\n<p>C&#8217;est sous l&#8217;\u00e8re mobutiste (1973) qu&#8217;a eu lieu la &#8221; Za\u00efrianisation &#8221; d&#8217;entreprises belges et \u00e9trang\u00e8res. Il est \u00e0 noter que ce mouvement d&#8217;expropriation brutal (les propri\u00e9taires avaient 24 heures pour laisser la place \u00e0 des &#8221; amis &#8221; du r\u00e9gime) qui a inaugur\u00e9 des ann\u00e9es de pr\u00e9dation par le r\u00e9gime est loin d&#8217;avoir suscit\u00e9 dans le Monde des condamnations ou r\u00e9actions en cha\u00eene de l&#8217;importance de celles qui ont marqu\u00e9 la r\u00e9forme agraire du Pr\u00e9sident Mugabe au Zimbabwe, qui toutes proportions gard\u00e9es fut pourtant autrement moins brutale et mieux encadr\u00e9e l\u00e9galement, mais concernait des fermiers d&#8217;origine anglaise. Il est \u00e0 noter que le Congo-Za\u00efre a connu jusque l\u00e0 une croissance r\u00e9elle, qui s&#8217;est ensuite transform\u00e9e en une d\u00e9gradation \u00e9conomique constante, renforc\u00e9e par la conjoncture mondiale.<\/p>\n<p>La Za\u00efrianisation n&#8217;a pas emp\u00each\u00e9 la Belgique de maintenir ses programmes de coop\u00e9ration avec le Congo, devenu Za\u00efre, malgr\u00e9 des hauts et des bas dans les relations bilat\u00e9rales.<\/p>\n<p>La Belgique a rompu en 1991 avec le r\u00e9gime du Pr\u00e9sident Mobutu \u00e0 l&#8217;occasion des massacres non-\u00e9lucid\u00e9s d&#8217;\u00e9tudiants, perp\u00e9tr\u00e9s \u00e0 l&#8217;Universit\u00e9 de Lubumbashi.<\/p>\n<p>APPROCHE BELGE ACTUELLE<\/p>\n<p>Depuis 1999, la Belgique s&#8217;est \u00e0 nouveau investie en Afrique centrale sous l&#8217;impulsion du Ministre Michel. L&#8217;av\u00e8nement d&#8217;un gouvernement de transition, avec \u00e0 sa t\u00eate le Pr\u00e9sident Joseph Kabila, a facilit\u00e9 le renouveau de nos relations avec la R\u00e9publique D\u00e9mocratique du Congo. Dans un premier temps, la diplomatie belge a concentr\u00e9 toute son \u00e9nergie sur les efforts de pacification dans la r\u00e9gion des Grands Lacs, notamment en soutien de l&#8217;accord de Lusaka (1999) pour la RDC. La Belgique a appuy\u00e9 activement des accords de paix engag\u00e9s par les Africains eux-m\u00eames selon le principe de l&#8217;African ownership. La Belgique est le seul pays \u00e0 avoir assum\u00e9 ses erreurs post-coloniales, comme au Rwanda en 2000, o\u00f9 le Premier Ministre Verhofstadt a pr\u00e9sent\u00e9 les excuses du Gouvernement et du peuple belge pour leur abstention coupable lors du g\u00e9nocide rwandais. Cette p\u00e9riode est \u00e9galement marqu\u00e9e par les excuses publiques du Gouvernement pour la responsabilit\u00e9 morale de la Belgique dans l&#8217;assassinat de Lumumba, et par l&#8217;invitation du Premier Ministre Verhofstadt (lors de sa visite en RDC \u00e0 l&#8217;occasion du 40\u00e8me anniversaire de l&#8217;ind\u00e9pendance en 2000) \u00e0 reconstruire les relations sur une base nouvelle. On peut relever que le Ministre Michel \u00e9tait le seul homme d&#8217;Etat occidental pr\u00e9sent aux fun\u00e9railles du Pr\u00e9sident congolais Laurent D\u00e9sir\u00e9 Kabila, et ce en d\u00e9pit d&#8217;un climat de haute tension. Enfin, le r\u00f4le actif du Ministre Michel en 2001 \u00e0 l&#8217;occasion de la Conf\u00e9rence sur le racisme de Durban en Afrique du Sud, o\u00f9 il a \u0153uvr\u00e9 pour que l&#8217;Union Europ\u00e9enne pr\u00e9sente des excuses collectives au sujet de l&#8217;esclavagisme, reste dans les m\u00e9moires. Avec le retrait des troupes \u00e9trang\u00e8res de RDC et la fin de la guerre civile dans ce pays, une nouvelle p\u00e9riode de transition est entr\u00e9e en vigueur. La Belgique va doubler son aide au d\u00e9veloppement en RDC, avec un accent sur le r\u00e9tablissement des fonctions r\u00e9galiennes de l&#8217;Etat, mises \u00e0 mal pendant pr\u00e8s d&#8217;un demi-si\u00e8cle : justice, administration, s\u00e9curit\u00e9, mais aussi sant\u00e9, \u00e9ducation, infrastructures.<\/p>\n<p>Conclusion<\/p>\n<p>Aucune justification a posteriori du syst\u00e8me colonial n&#8217;est acceptable. On peut regretter que le paternalisme du syst\u00e8me colonial belge et l&#8217;absence d&#8217;\u00e9lites locales aient men\u00e9 \u00e0 une ind\u00e9pendance b\u00e2cl\u00e9e. L&#8217;attitude des Congolais \u00e0 notre \u00e9gard se manifeste majoritairement par un m\u00e9lange d&#8217;affection (les &#8221; oncles &#8220;) et de ressentiment. Leurs attentes, qui se basent sur un pass\u00e9 mythique o\u00f9 le syst\u00e8me \u00e9conomique fonctionnait (en faisant abstraction du fondement in\u00e9quitable du syst\u00e8me colonial) d\u00e9passent cependant de loin nos possibilit\u00e9s. La Belgique ne peut pas aujourd&#8217;hui s&#8217;investir seule au Congo sans l&#8217;aide de l&#8217;Union europ\u00e9enne et de la Communaut\u00e9 internationale. Une attitude constructive des forces politiques congolaises est \u00e9galement essentielle pour le d\u00e9veloppement de ce pays. On peut toutefois relever le discours du Pr\u00e9sident Joseph Kabila devant le S\u00e9nat de Belgique le 11 f\u00e9vrier 2004, rendant un hommage appuy\u00e9 aux missionnaires, fonctionnaires et entrepreneurs, qui ont contribu\u00e9 \u00e0 concr\u00e9tiser la formation d&#8217;un Etat au centre de l&#8217;Afrique, avec une r\u00e9f\u00e9rence explicite \u00e0 la personne de L\u00e9opold II comme \u00e9l\u00e9ment fondateur de celui-ci. Un tel discours contraste avec les id\u00e9es re\u00e7ues v\u00e9hicul\u00e9es par ailleurs, tendant \u00e0 r\u00e9duire le pass\u00e9 colonial de notre pays \u00e0 une succession ininterrompue d&#8217;abus et d&#8217;\u00e9checs.<\/p>\n<p>Alexis de Crombrugghe<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Deze bijdrage is gericht op Kongo, een land dat effectief een Belgische [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"jetpack_post_was_ever_published":false,"_jetpack_newsletter_access":"","_jetpack_newsletter_tier_id":0,"jetpack_publicize_message":"","jetpack_is_tweetstorm":false,"jetpack_publicize_feature_enabled":true,"jetpack_social_post_already_shared":false,"jetpack_social_options":{"image_generator_settings":{"template":"highway","enabled":false}}},"categories":[5],"tags":[],"jetpack_publicize_connections":[],"jetpack_featured_media_url":"","jetpack_sharing_enabled":true,"jetpack_shortlink":"https:\/\/wp.me\/p12tMU-pV","jetpack_likes_enabled":false,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1607"}],"collection":[{"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=1607"}],"version-history":[{"count":3,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1607\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1633,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/1607\/revisions\/1633"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=1607"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=1607"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/beta.unionbelge.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=1607"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}